Haar blik, die zo ruim kon zijn, vernauwde als we in de kerk zaten.
We zaten altijd op de achterste rij, dicht bij de deur. Mijn moeder had haar angst om opgesloten te zitten verpakt in het zinnetje: ‘Voor als ik naar het toilet moet’. Nooit moest ze naar het toilet, maar ik vond het oké om achteraan te zitten.
In de kerk spraken we weinig, zoals van je verwacht wordt in een kerk. Ik maakte vlechten in mijn sjaal of zocht naar gezichtjes in de gespikkelde tegels.
Als er iemand met hoog BMI binnen kwam, vroeg ze steevast: ‘Is die dikker dan ik?’ Ze vroeg het alleen als iemand overduidelijk dikker was dan zij. Als om alvast te wennen aan het gevoel van zelfvertrouwen.
Vaak keek ik naar haar, met oprechte bewondering. Naar de boogjes die haar wenkbrauwen waren, boven de helderblauwe ogen. Naar haar lange, stevige lichaam. Ze was niet dik of groot of lomp, zoals ze zelf dacht. Ze was sterk en mooi. Dat had ik haar moeten zeggen, al die keren in de kerk.
(Dit is een van de stukjes die ik schreef, zoekend naar de juiste details. Ik denk eraan om een animatiefilm te maken over iemand zoals mijn moeder was. Dus sprokkel ik in de onmetelijke ton met inspiratie die het geheugen is.
En ondertussen werk ik ook verder aan “Coline et Manuel”, een verhaal dat zich afspeelt in een stad die vaag geïnspireerd is op Herstal.)

